-Zondagmorgen-

Ik rij in mijn auto, als het vriendelijke gezicht van de zon ervoor zorgt dat mijn dag nu al niet meer stuk kan.
Het is rustig op straat, terwijl ik al rijdend geniet van mijn waterijsje, welke zijn naam indirect ontleend aan de Apollo’s van weleer.
Het ijsje smaakt goed en deze tocht van sensueel culinair hoogstaand genot is nog maar net begonnen, aangezien het papiertje zojuist het raampje uit is gevlogen.
Nog geen mens te zien en op een gezellig groepje kraaien na lijkt de zon vandaag alleen voor mij te schijnen.
De warmte creëert een voldane glimlach op mijn gezicht, als ik met mijn auto richting de bezige groep kraaien rij. Het lijkt erop dat ik niet de enige ben die het zo getroffen heeft met gustatoire aspect van ons bestaan.
Als een hechte en gezellige familie scharen ze zich rond de maaltijd die zich op hun geasfalteerde tafelkleed presenteert.
Als ik met mijn auto langs ze heen rij kijken ze niet op en kijken ze niet om. Ze hebben enkel maar oog voor


een plas kots.


Raampje open. Tot ziens, ijsje.

-Lifters-

Van Apeldoorn naar Almelo. Dat was de rit. Een 45 minuten durend kut epiloog, als ik niemand, dmv mijn onbeperkte bundel, zou kunnen charteren voor een zogenoemd: ‘goed gesprek’. Alvorens ik de snelweg opging gaf ik

-MRI-

“Heeft u weleens eerder een MRI gehad?”, vroeg de dame in het wit aan mij, terwijl ze me naar de koele ziekenhuis ruimte begeleidde waar de grote en logge cylindervormige machine stond. “Ja hoor”, zei ik